Recht op afbeelding

Het recht op afbeelding (ontwikkeld door zowel rechtspraak als rechtsleer) is een recht waarbij voor elke menselijke afbeelding, maar ook het gebruik van die afbeelding, toestemming vereist is van de afgebeelde persoon.

Rechtsleer en rechtspraak zijn het er grotendeels over eens dat wanneer een persoon zich in de openbaarheid begeeft, bijvoorbeeld op een publieke plaats, hij zijn stilzwijgende toestemming geeft. Deze toestemming wordt afgeleid uit de feitelijke omstandigheden. De toestemming blijft wel vereist voor het gebruik en de reproductie van de genomen foto of video. De persoon moet in dit geval wel het hoofdonderwerp vormen.

Wanneer afbeeldingen van een menigte worden genomen, is er in principe ook geen toelating nodig (noch voor het nemen, noch voor het gebruik nadien), omdat hier de weergave van de persoon bijkomstig is. Wat onder de noemer ‘menigte’ valt, wordt geval per geval beoordeeld.

Publieke personen dienen in principe ook geen voorafgaande toestemming te geven. Hier geldt immers het recht op informatie, mits enkele voorwaarden worden nageleefd. Zo moet de afbeelding van een publiek persoon een informatief doeleinde hebben (dus geen commercieel gebruik) en mag ze het recht
op eerbiediging van het privéleven niet schenden. Om dit te beoordelen, wordt rekening gehouden met de concrete omstandigheden (er is bijvoorbeeld geen schending als de beelden werden genomen tijdens de uitoefening van een openbare activiteit). Sommige personen worden slechts tijdens een welbepaalde
gebeurtenis als publieke persoon aanzien (bijvoorbeeld naar aanleiding van een ramp of een misdrijf). De afbeelding van deze persoon moet dan ook gerelateerd zijn aan deze gebeurtenis.

Het antwoord van minister Geert Bourgeois van 21 maart 2014 op vraag nummer 305 van Marijke Dillen over de aanwezigheid van audiovisuele media:

De openbare zitting van de gemeenteraad is toegankelijk voor publiek en media. Wat de geschreven pers betreft, stelt er zich geen probleem. In sommige gemeenten ondervinden fotografen en vertegenwoordigers van de (meestal lokale) televisieomroepen wel problemen omdat het huishoudelijk reglement er blijkbaar in voorziet dat het nemen van foto’s en televisieopnamen niet is toegelaten.

  1. Wat is ter zake het standpunt van de minister?
  2. Heeft de minister een overzicht van de gemeenten waar dit verbod in het huishoudelijk reglement is opgenomen? Zo ja, graag een overzicht per provincie.
  3. Heeft de minister kennis van klachten die tegen deze regeling zijn ingediend en zo ja, welk gevolg werd hieraan gegeven?

Antwoorden:

  1. Uw vraag heeft betrekking op de openbare zitting van de gemeenteraad, waarbij ook de pers aanwezig mag zijn. De openbaarheid van de vergaderingen van de gemeenteraad is een belangrijk principe (art. 162, 4° GW). Zoals u terecht opmerkt, kan de aanwezigheid van de geschreven pers op de openbare zitting dan ook geen enkel probleem vormen. Het nemen van foto’s en het maken van televisieopnames kan in bepaalde omstandigheden het ordelijk verloop van de zitting evenwel in het gedrang brengen. Om die reden heeft een aantal gemeenten in het huishoudelijk reglement van de gemeenteraad bepaald dat het nemen van foto’s en het maken van audiovisuele opnames tijdens het verloop van de zitting verboden is. Een algemeen en onbeperkt verbod op het maken van beeldmateriaal kan strijdig zijn met het principiële beginsel van de openbaarheid. Zo’n algemeen verbod komt mij ook niet opportuun voor. De pers zorgt immers voor een medium om het gemeentelijk beleid met ruime verspreiding onder de aandacht van de inwoners te brengen en de transparantie te vergroten, zodat het eerder aangewezen is dat de gemeenten het werk van de pers faciliteren in plaats van het te bemoeilijken. Anderzijds is het evenzeer duidelijk dat het maken van beeldmateriaal niet mag verhinderen dat de zittingen van de gemeenteraad ordelijk en sereen kunnen verlopen, zodat het aan goede afspraken kan worden onderworpen. Ik wijs er in dit verband op dat de voorzitter van de gemeenteraad belast is met de handhaving van de orde in de vergadering (art. 25 GD). Hij kan oordelen dat het gebruik van bepaalde apparatuur in een aantal omstandigheden storend is en kan ingrijpen in functie van de goede orde van de zitting. Ook het huishoudelijk regelement kan een regeling vastleggen, rekening houdend met de plaatselijke situatie.
  2. Ik beschik niet over een dergelijk overzicht. De gemeenten moeten mij dat niet meedelen.
  3. Er is tijdens mijn ambtstermijn één klacht ingediend met betrekking tot het gebruik van audiovisuele middelen tijdens de vergadering. In het huishoudelijk reglement van de gemeenteraad van Houthalen-Helchteren werd volgende bepaling opgenomen :“(…)In de raadzaal, de publieke tribune inbegrepen, is tijdens de vergadering het gebruik van smartphones/mobiele telefoons/tablets of andere (communicatie)middelen die inbreuk maken op de orde van de vergadering niet toegestaan.(…)” De gouverneur van de provincie Limburg heeft geoordeeld dat deze bepaling van het huishoudelijk reglement geoorloofd is in de mate dat het niet als een algemeen en onbeperkt verbod geldt, maar steeds getoetst wordt aan de goede werking van de gemeenteraad. Dat standpunt sluit aan bij mijn antwoord, gegeven onder punt 1.

Terug naar dossiers